De Industrie

DE INDUSTRIE deed in Vianden zijn intrede met de eerste luxemburgse hoogovens die Willern de Zwijger er liet bouwen door ijzerspecialisten uit Siegen in 1564. De hoogoven bevond zich op de plaats van het huidige kerkhof van Vianden. Reeds in 1566 echter, bij de konfiskatie van het graafschap door de spaanse koning Filip II, werd de produktie gestaakt. Later werd het graafschap teruggegeven aan de erfgenamen van Willern de Zwijger, maar de produktie in de hoogovens te Vianden en de smelterij van Koerperich werd niet hervat.

Zo gingen de inwoners van Vianden door met hun beroep uit te oefenen zoals vroeger. Slechts twee eeuwen later richtte David May een lakenfabriek op in de gebouwen van het oude klooster der Trinitariers, dat in 1783 door Joseph II werd opgeheven.

Tegen 1830 begonnen de leerlooiers zich op een industriele basis te organiseren en weldra gaven de pruisische oorlogen tegen Denemarken, Oostenrijk en Frankrijk een nieuwe impuls aan de leerlooierij van Vianden.

De eerste wereldoorlog bracht nieuwe bestellingen en de oprichting van twee grote fabrieken mee: "Tannerie de Vianden" in 1914 en "Tannerie Ardennaise" in 1920. De tweede wereldoorlog deed de leerlooierij floreren, maar liet ook ruines en doden achter. Vele inwoners van Vianden lieten hun leven op het slagveld of in de concentratiekampen. Op 11 september 1944 drongen de eerste geallieerde soldaten in Stolzemburg bij Vianden op de duitse grondgebied door.

Twee maanden later geselde het Ardennen-offensief de stad. Vianden werd als laatste stad van het groothertogdom bevrijd op12 februari 1945.

Toen de leerlooierijen hun produktie staakten in 1955.

Het sanatorium, gelegen op de heuvels die de stad in het westen domineren, is in 1931 in dienst gesteld. Men kon er 150 tuberculose-patienten opnemen. Deze werden verzorgd volgens de meest moderne methoden. Na de afname van de tuberculose is het sanatorium omgebouwd tot een verplegingscentrum.